zondag 17 oktober 2010

De techniek van Escher


Escher had een sterke voorkeur voor technieken waarbij men met een zwart vlak begint en zwart weghaalt. Escher gebruikte dan ook houtsnede, houtgravure, lithografie en in mindere mate mezzotint. Tijdens zijn HBS-opleiding maakte hij ook enkele lino's.

Escher erfde van Jessurun de Mesquita een voorliefde voor houtsnede op langs hout, maar later gebruikte Escher ook houtgravure, omdat men hiermee gedetailleerder kon werken. Houtsnede zou echter voor Escher een veelgebruikte techniek blijven.
 
Zijn eerste lithografie maakte hij in 1929. In 1946 waagde Escher zich dan ook aan mezzotint, ook wel "zwarte kunst" genoemd. Mezzotint vergde echter te veel geduld en Escher zou in totaal slechts zeven mezzotinten maken.

Escher bezat een grote technische vaardigheid. Een voorbeeld hiervan is de prent Draaikolken, waarin afbeeldingen van rode en groene vissen het vlak vullen. 

In het begin was techniek belangrijk voor Escher, maar op een gegeven ogenblik was technische vaardigheid niet meer het hoofddoel. Escher wil dan de wonderlijke ideeën in zijn hoofd uitdrukken in prenten, en techniek is hiervoor slechts een middel.

Draaikolken, Escher 1952

vrijdag 15 oktober 2010

Het leven van Escher

In zijn jeugd was Escher de jongste zoon van waterbouwkundig ingenieur George Arnold Escher en Sarah Gleichman. De familie was afkomstig van Duitsland en telde toen al intellectuelen en andere kunstenaars zoals zijn jongere neef Rudolf Escher.

In 1903 verhuisde zijn familie naar Arnhem, waar Escher de HBS (hogereburgerschool) volgde. Hij was goed in tekenen maar verder was hij geen goede leerling. In 1919 ging Escher naar de School voor Bouwkunde en Sierende Kunsten in Haarlem.

In 1922 verliet hij de school. Van dan af reisde hij regelmatig naar Spanje en Italië. In Italië ontmoette hij Jetta Umiker, met wie hij in 1924 trouwde. Zij schonk hem drie zonen: George, Arthur en Jan.
Escher en zijn vrouw vestigden zich in Rome, totdat in 1935 het regime van Mussolini hem teveel werd. Hij verhuide naar Zwitserland waar hij in Château-d’Ex verbleef. Maar ook hier voelde hij zich niet thuis, in 1937 verhuisde hij naar Ukkel.
 
In 1941 verhuisde de familie naar Baarn in Nederland totdat hij in 1970 naar de Rosa-Spier-Stichting, een bejaardetehuis voor bejaarde kunstenaars, waar hij een eigen atelier had.

Hij overleed op 73-jarige leeftijd in Laren/Hilversum. Hij werd begraven in Baarn.